Informatie bomen Gelderse Hout

Blauwspar (12) De blauwspar is een heel nauw familielid van de Sitkaspar met dit verschil dat de jongen scheuten van de blauwspar ook echt blauw zijn. De naalden prikken heel erg.

Beuk (5) Bij de Germanen was de beuk gewijd aan de godin Freya. Zij was de godin van het huwelijk en vruchtbaarheid. Dit is de reden waarom men nu nog wel hartjes met initialen in de beukenschors snijdt. Het hout van de beukenboom wordt veel gebruikt voor kinderspeelgoed, omdat het niet gauw splintert.

Bergvlier (24) De bergvlier wordt ook wel trosvlier genoemd. Hij heeft rode bessen en het merg in de takken is lichtbruin. De bessen zijn niet eetbaar.

Corsicaanse den (23) De Corsicaanse den is een variëteit van de zwarte den. Het hout van het geslacht pinus heet grenenhout.

Es (6) De goden zouden de eerste man uit een es geschapen hebben. Om die reden werden er vroeger essen om een woning geplant, want deze zouden dan bescherming bieden tegen gevaar en kwaad. Essenhout is heel buigzaam. Daarom wordt het hout vaak gebruikt voor gymtoestellen. 

Esdoorn (9) Het hout is zeer waardevol en wordt voor uiteenlopende doeleinden gebruikt, van parket tot meubels tot muziekinstrumenten toe. De dubbele zaden van de esdoorn draaien als helikoptertjes naar beneden.

Fijnspar (14) De fijnspar is de meest voorkomende sparresoort in Europa. De meeste mensen kennen de fijnspar als onze kerstboom. De mannelijke kunnen enorme hoeveelheden stuifmeel afgeven. Zoveel dat in de bloeitijd hele gele wolken boven het bos uitkomen. Dit wordt in de volksmond wel zwavelregen of het roken van het bos genoemd.

Gewone vlier (25) De gewone vlier heeft zwarte bessen. De bloesem wordt gebruikt voor vlierthee en de bessen kunnen gebruikt worden voor het maken van jam of wijn.

Haagbeuk (27) De naam haagbeuk vertelt al waar de boom van oudsher voor gebruikt werd. De stam is nooit cirkelvormig, maar kantig. De haagbeuk heeft het taaiste  hout van West-Europa en werd gebruikt voor de kamraderen voor molens. Nu maken ze er speelgoed van en slagersblokken.

Iep (7) De iep werd vroeger in Nederland ook wel olm genoemd. De iep voelt zich in Nederland echt thuis, want hij kan goed tegen de zoute wind vanuit zee.

Jeneverbes (20) De bessen worden gebruikt in het gelijknamige geestrijke vocht wat ook zo heet. Er werd aan deze plant verschillende geneeskrachtige en mystieke eigenschappen toegekend. Van het hout werden vroeger magische bekers en vaten gemaakt.

Kornoelje (26) De rode kornoelje is te herkennen aan de jonge takken die aan de zonzijde rood zijn. De kant van de tak waar de zon niet op schijnt, is meestal groenig. Vanuit de wortels groeien vaak heel veel nieuwe takken omhoog.

Lijsterbes (28) De lijsters zijn gek op de rode bes van deze boom. De lijsterbes komt op het noordelijk halfrond wel in tachtig soorten voor. Enkele van deze soorten zijn erg kostbaar voor de meubelmaker.

Linde (10) De linde is bekend om zijn bloesem waar wel lindebloesemthee van gemaakt wordt. Door zijn honing is de linde een van de weinige boomsoorten die door insecten wordt bestoven in plaats van door de wind.

Meidoorn (3) In Europa werd de meidoorn veel gebruikt als haagafscheiding van weilanden. Door zijn harde hout en 1 cm lange doornen bleef het vee ervan af.

Nordmann spar (18) De Nordmann spar komt uit de Kaukasus en is ontdekt door de Finse botanicus Nordmann. Voordat hij deze naam kreeg werd de boom ook wel Kaukasische of krimspar genoemd. De Nordmann onderscheidt zich van de reuzen zilverspar door zijn omhooggerichte naalden.

Paardekastanje (1) Het hoofdverspreidingsgebied van de Paardekastanje omvat Zuid-Albanië, evenals Noord- en Midden-Griekenland. Hij staat hier in het gezelschap van Zwarte els, Walnoot, Es en Noorse esdoorn; eveneens soorten die houden van een vochtige bodem. De Paardekastanje was voor de IJstijd in heel Midden-Europa inheems en heeft bij het terugtrekken, vóór het ijs uit, slechts in een zeer klein gebied op het Balkan-schiereiland een schuilplaats gevonden. De terugkeer naar de oude groeiplaatsen werd onder andere verhinderd door de zwaarte van de vruchten. In de 16e eeuw werd de boomsoort door een Oostenrijkse diplomaat vanuit Turkije in West-Europa ingevoerd. In het begin van de zeventiende eeuw moet hij ook in de Lage Landen zijn opgedoken. Zijn naam dankt de Paardekastanje mogelijk aan het verhaal dat de Turken ‘dampigheid’ bij paarden genazen door ze kastanjes te laten eten.De Paardekastanje heeft een zeer dicht bebladerde en brede kroon als hij vrijstaand opgegroeid is. Vanwege zijn schaduw wordt de soort veel in parken, lanen, tuinen en begraafplaatsen aangeplant. Als de boom aan de bosrand groeit, dienen de in de herfst afvallende vruchten als welkome herfst- en wintervoeding voor reeën en herten. Als de Paardekastanje echter op deze plaats staat moet hij echter beschermd worden, want de reebok gebruikt hem graag om te vegen en de hertebok om te slaan. Ondanks het dichte bladerdak is in de natuurlijke situatie rijkelijk onderhout en een soortenrijke kruidlaag voorhanden.De Paardekastanje, die een maximale hoogte bereikt van ca 30 m, heeft meestal een korte, krachtige, volhoutige stam, met een naar rechts verlopende draaigroei. In de jeugd is de bast lichtgrijs of grijsbruin en glad. Later verandert de bast in een met diep ingescheurde platen bezette, grauwzwarte schors. Hij is gevoelig voor schorsbrand. Onder de schors ligt een meestal kleurig, geelwit tot zwak roodachtig hout dat een matte glans heeft. Het hout laat zich goed snijden, schillen, draaien en door houtsnijders gebruiken. Als het hout snel gedroogd wordt, krimpt het in droge toestand slechts weinig, werkt het nauwelijks en vormt het daarom een uitstekend blindhout voor meubelen. Het wordt gebruikt voor houtsnijwerk, klompen, keukengereedschap, speelgoed en bij de pianobouw. Vanwege zijn geringe sterkte is het nauwelijks geschikt voor bouwhout.De 3 cm grote, plakkerige knoppen ontluiken in april – mei. De bladeren zijn handvormig gedeeld en kunnen 35 cm lang worden (10-15 cm voor de steel). Na het uitlopen van de 5-7 bladeren (zonder steel) groeien de staande, 30 cm lange, tweeslachtige, veelbloemige bloemtrossen uit (kaarsen). Na bestuiving van de stempels door insecten en bevruchting van de zaadaanleg ontwikkelen zich tot 6 cm dikke, zachtstekelige doosvruchten. Binnen de groene bolster liggen een tot drie glanzend bruinrood gekleurde kastanjes. De kastanjes zijn door hun hoog gehalte aan looistof voor mensen ongenietbaar, maar herten, varkens en schapen eten ze graag.

Populier Flevo (4) Er bestaan maar een paar soorten populieren. Uit deze paar soorten zijn meerdere klonen ontwikkeld. Populierklonen zijn bomen die vermeerderd worden door ze te stekken, ze worden niet gezaaid. Veel van het populierenhout gaat naar de kartonindustrie. Bijna de helft van alle melkpakken of andere verpakking gemaakt van vouwkarton is afkomstig van Flevolandse populieren. Populieren zijn in 20 jaar groot en dik. Spechten maken er holen in en wellicht wonen er ook al vleermuizen in deze holen.

Reuzen zilverspar (21) De wetenschappelijke naam betekent letterlijk grote spar. Op de stam zitten blaasjes die gevuld zijn met een heerlijk riekend hars. 

Servische spar (13) Deze spar komt uit midden Joegoslavië. De afhangende tak is een kenmerk voor gebieden met zware sneeuwval. De sneeuw kan er dan zo afglijden.

Sequoia (16) Deze boom uit Amerika heeft naalden die er in de herfst afvallen. De schors wordt op oudere leeftijd zeer dik en sponzig en bevat veel vocht. Waardoor deze boom brandbestendig is. Dit is nodig, omdat in het gebied van herkomst, door natuurlijke oorzaak, bosbranden voorkomen. Sterker nog juist door deze branden springen de kegels open zodat er na een bosbrand weer jonge boompjes kunnen gaan groeien.

Sitka spar (15) Sitka is de naam van een eiland voor Noord Amerika waar deze boom vandaan komt. De naalden zijn prikkerig. Het hout van de boom noemt men vurenhout.

Taxus (19) Soms kan de taxus uitgroeien tot een boom, maar meestal wordt het een 2 a 3 meter hoge struik. Het hout is zeer hard en elastisch. Vroeger werden er goede handbogen gemaakt van taxushout. De naalden zijn zeer giftig. De rode schijnvrucht is eetbaar voor vogels, maar de pit is giftig. Uit de taxus wordt een geneesmiddel gemaakt tegen kanker.

Veldesdoorn (2) De veldesdoorn of Spaanse Aak wordt meestal een struik en zelden een boom. De oudere takken kunnen vaak een kurkachtige schors krijgen. De zaadjes zijn altijd twee aan twee aan elkaar gegroeid en hebben vleugeltjes.

Westerse levensboom (17) Deze boomsoort werd door zijn aromatische stoffen gebruikt voor de offeranden vooral in Afrika. ook worden er veel geneeskrachtige stoffen uitgehaald voor de natuurgeneeskunde.

Weymouth den (11) Deze den is in 1700 door de Engelse Lord Weymouth van Amerika naar Europa gebracht. Bij onze oosterburen wordt de Weymouth veel als kerstboom gebruikt.

Zoete kers (29) De kers van deze boom is goed te eten, hoewel dit van boom tot boom kan verschillen. Vaak zijn de donkerste vruchten het zoetst. De vogels zijn ook dol op deze steenvrucht en zorgen op die manier voor de natuurlijke verspreiding van deze boom. In het voorjaar bloeien ze schitterend met sneeuwwitte bloemen.

Zomereik (8) Op jonge leeftijd heeft een eik een gladde schors, later wordt deze diep gegroefd. De eik is van oudsher een heilige boom. Onder heilige eiken werd vroeger recht gesproken. Van alle boomsoorten wonen er in een eik de meeste insectensoorten. Soms wel honderden.

Zwarte els (22) Kenmerkend voor de els zijn de elzenproppen. Deze komen van de vrouwelijke bloemen. Er zitten meestal drie generaties aan. Kleine groene van dit jaar die nog moeten rijpen. Grotere groene die dit jaar rijp zullen zijn en bruine die verleden jaar rijp waren. De knop en het jonge blad zijn kleverig. De els is in de winter een belangrijke boom voor de vogels die dan op het zaad in de elzenproppen afkomen.