Drenthe

Overzichtskaart van Drenthe via Google Maps

 

Voor de toerist roept het begrip Drenthe allerlei associaties op met landschappelijke schoonheid en rust. Drenthe is voor menigeen nog steeds een land van heide, schapen, hunebedden, brinken en dorpen. Maar omdat het Drentse land de laatste honderd jaar snel veranderde komt dit beeld nauwelijks meer met de werkelijkheid overeen. Toch kent Drenthe nog een gemoedelijke en landelijke sfeer. De paar steden in deze provincie zijn nooit tot grote ontwikkeling gekomen en Drenthe is nog steeds dunbevolkt.



Teruggaand in de tijd vinden we in het jaar 1800 het oude stadje Meppel met ongeveer 4000 inwoners en het veel jongere verveningscentrum Hoogeveen dat met 4500 inwoners de snelst groeiende plaats in Drenthe was. Het gehele landgewest telde toen slechts 40.000 inwoners. Rond 1900 waren dat er al bijna 150.000. Tegenwoordig telt Drenthe 430.000 inwoners.

Na de Tweede Wereldoorlog begon een nieuwe tijd: de industrie kwam snel op. Assen, Hoogeveen en met name Emmen werden centra van industriŽle bedrijvigheid. Het aantal arbeidsplaatsen in de landbouw verminderde sterk maar handel en toerisme kregen meer betekenis. De gebrekkigheid van verbindingen van het openbaar vervoer op het platteland leidde ertoe dat Drenthe nu ťťn van de gebieden is met een zeer hoge autodichtheid.
Tot in de 20e eeuw woonden veruit de meeste Drenten in de dorpen, agrarische nederzettingen die nog tot in de 19e eeuw in een onafzienbaar, woest landschap van heide en venen lagen.
Vanaf ca. 1900 is veel woeste grond ontgonnen tot bos of cultuurland. Het buitengebied ziet er daarom heel anders uit dan honderd jaar geleden. Drenthe wordt gekenmerkt door een grote afwisseling van oude en jonge landschappen.

Threant en dingspelen

Drenthe wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde uit 820, als Threant. Naamkundigen zijn van mening dat het eerste deel van de naam betrekking heeft op het telwoord drie en verwijst naar de drie gebiedseenheden waaruit het kemland oorspronkelijk was opgebouwd Zo zou het Drents plateau in de vroege tijd hebben bestaan uit het Zuidenveld, het Noordenveld en het Westen-veld; die vielen samen met de stroomgebieden van de Vecht, de Hunze en het Meppelerdiep. In de loop van de middeleeuwen splitsten de drie landschapsdelen zich op in zes dingspelen, waarbij min of meer de grenzen werden aangehouden van de oudste parochies: Sleen of Emmen, Vries, Anbo, Rolde, Beilen en Diever.

Net landschap

Het reliŽf van Drenthe wordt vaak vergeleken met een omgekeerd soepbord. Geheel nauwkeurig is dit beeld niet maar het geeft wel de essentie weer van het Drents plateau:
een hooggelegen centraal deel dat naar de lage randen afwatert in alle windrichtingen. De hoofdlijnen van het reliŽf worden bepaald door een stelsel van evenwijdig lopende ruggen en dalen. Het hoogst op het plateau ligt het Ellertsveld. Hier ontspringen dan ook de belangrijkste hoofdstromen. Met hun wijdvertakte waterlopen verdelen zij het Drents plateau in een stelsel van eilanden of schiereilanden. Deze beekdalen waren door veengroei vaak moeilijk te passeren en vormden zo natuurlijke barriŤres.

Een belangrijk kenmerk van het plateau is dat de bodem voornamelijk uit keileem bestaat. Keileem is een steenrijke leem die door het landijs (in vroegere ijstijden) als afzetting werd achtergelaten. In de laatste ijstijd werd de overgebleven keileem bedekt door dekzand; felle sneeuwstormen zetten dikke en dunnere lagen af. Dekzand is zeer arm van samenstelling en kan daardoor weinig voedingsstoffen voor de plantengroel afgeven. Na de laatste ijstijd, 10.000 jaar geleden, steeg de temperatuur. Hierdoor konden bossen groeien en ontwikkelden zich langs de randen van het plateau en in slecht ontwaterde dekzandlaagten grote veengebieden. Uiteindelijk werd het plateau aan alle kanten omringd door ondoordringbare veenmoerassen. Het Drentse 'kemland' werd zo een natuurlijke 'vesting' met slechts enkele 'poorten' . Deze situatie bleef ongewijzigd tot in de 18e eeuw.

De mens

Het Drents plateau werd reeds vroeg door jagers bevolkt. Rond 3000 voor Chr. verschenen de eerste landbouwers op het toneel. Zij hadden een duidelijke invloed op het natuurlijk milieu Deze boeren, die gerekend worden tot de zogenaamde Trechterbekercultuur; spreken nog steeds tot onze verbeelding omdat zij verantwoordelijk waren voor de bouw van de hunebedden. In de eerste eeuwen na Chr. werden de ontwikkelingen in gang gezet die leidden tot een geheel nieuw landbouwsysteem en het daarbij behorende nederzettingstype: de Drentse es- of brinkdorpen. In het bosrijke milieu werden op gunstige locaties, bij voorkeur in een overgang van hoog naar laag en nabij goed ontginbare, lichte bosgronden, enkele boerderijen met aangrenzende huiskampen gesticht. 

Dankzij regelmatige bemesting en een uitgekiende vruchtwisseling met granen en groenten vormden deze permanente huisakkers een goede basis voor de zelfvoorziening. De runderen en het kleinvee werden in het uitgestrekte en vaak nog bosrijke buitengebied rond de nederzetting gedreven om hun voedsel te zoeken. Zij zorgden ook voor de noodzakelijke mest. In de 10e eeuw ontvouwde zich langzamerhand een nederzettingenpatroon waarin de meeste van de nu bekende esdorpen al voorkomen. De bewoning was nog beperkt tot het Drents plateau en geconcentreerd in 86 kleine, verspreid liggende nederzettingen van enkele boerderijen; de grootste telden tussen de 10 en 15 boerenhuizen. Ondanks het geringe aantal van in totaal 610 boerderijen was de invloed van het boerenbedrijf op het landschap toen reeds groot. Binnen enkele eeuwen waren ten koste van de bossen uitgestrekte heidevelden ontstaan terwijl lichte en vruchtbare bosgronden werden opgeofferd aan nieuwe bouwlandontginningen. Zeer geleidelijk verdwenen de bossen door ontginning en beweiding.

Het zand

De historische kern van de provincie Drenthe is dus het zandplateau. De structuur van het esdorpenlandschap op het Drents plateau is bepaald in de tijd dat de boer nog voor een belangrijk deel afhankelijk was van wat de natuur hem te bieden had. De productieomstandigheden waren verre van ideaal: onvruchtbare grond, dikwijls veel te nat en een chronisch mesttekort. Er was nauwelijks voldoende mest om de es te bemesten, laat staan om nieuwe gronden te ontginnen. Om voldoende vee te kunnen houden, ook voor de mestproductie, was wintervoer in de vorm van hooi nodig. Maar ook de hooilanden langs de beken, vooral in midden-Drenthe, waren beperkt van omvang en konden niet worden bemest. De afhankelijkheid van een 'arme' natuurlijke omgeving noodzaakte de boer tot een zo groot mogelijke risicospreiding. De enige mogelijkheid was de akkerbouw en de veehouderij in een zo groot mogelijk gebied te houden. In 1630 had Drenthe ongeveer 22.000 inwoners, gemiddeld acht per vierkante kilometer.
Aan het eind van de 18e eeuw bestond 70% van de provincie nog uit heide en zand.


Nederzettingen ontstonden meestal in de nabijheid van de beekdalen. Hier vindt u dan ook die kenmerkende es- of brinkdorpen met de grote boerderijen met hun rieten daken, de vele bomen, vaak op een brink bijeen en de weggetjes met hun slingerend verloop. De akkers op de essen werden wat verder van de beek aangelegd, bij voorkeur op bodems met keileem in de ondergrond, zodat de es niet gemakkelijk uitdroogde. Nog verder van de beek en het dorp lag dan het uitgestrekte heideveld, de zogenaamde woeste gronden Dit was vanouds het graasgebied voor het vee. Op de hogere, droge delen, was de heide erg gevoelig voor verstuiving. Door overbeweiding ontwikkelden zich daar grote zandverstuivingen. Bij elk dorp komt u deze elementen steeds weer tegen: het beekdal, de brink, de es en het veld. 

Er is sprake van een bepaalde orde, zij het in een steeds andere samenstelling. Dit kenmerkende patroon is in hoog tempo aangetast. Tussen 1940 en 1952 werden in Drenthe zesentwintig her verkavelingen van de essen uitgevoerd. Na 1955 leidden nieuwe verkavelingen tot grote ingrepen in het landschap. Beekdalen werden rigoureus verkaveld, stroompjes gekanaliseerd en sloten en wallen verdwenen. Gebieden werden toegankelijk gemaakt voor grote landbouwmachines. In veel streken kwam het accent te liggen op intensieve veehouderij.


Het veen

Een geheel andere ontwikkeling deed zich voor langs de lage randen van het Drents plateau. Hier ontstond in de 12e en 13e eeuw een nederzettingstype dat wordt aangeduid als de randveenontginning. Door toepassing van nieuwe ontginningstechnieken slaagde men erin de veenranden te ontwateren en in cultuur te brengen. Deze middeleeuwse randveenontginningen zijn nu nog herkenbaar aan hun langgerekte vorm en worden wel aangeduid als wegdorpen. In de 17e eeuw kwamen de grootschalige verveningen waarbij kapitaalkrachtige compagnieŽn het veen aan snee' brachten om zodoende in de groeiende landelijke energiebehoefte te voorzien. Deze verveningen, die zich tot ver in de 20e eeuw hebben afgespeeld, hebben enorme veranderingen in het landschap teweeggebracht. Uitgangspunt bij de vervening was een hoofddiep omdat het veen eerst ontwaterd moest worden. Dit kanaal fungeerde als ontginnings- en bewoningsas; zo ontstond een langgerekt nederzettingspatroon. 

Door de grootschalige vervening raakte Drenthe uit zijn natuurlijk isolement. Het veenkoloniale landschap heeft een rechtlijnig en grootschalig karakter gekregen. De ontwikkelingen in landbouw, scheepvaart, wegverkeer enz. vereisten na 1940 een grondige aanpassing van het veenkoloniale landschap. Sinds 1977 vindt de 'herinrichting' plaats. Die herinrichting is nog steeds aan de gang. Het gaat hierbij om een bedrag van maar liefst 1,8 miljard euro. Daarmee wordt het Gronings-Drentse veenkoloniale gebied aan de eisen van de tijd aangepast.

En tegenwoordig?

In het hedendaagse Drentse landschap vindt u, ondanks ingrijpende veranderingen, nog vrij veel van de oorspronkelijke structuren en historische elementen terug. Het loont de moeite tijdens uw wandeltocht de verschillende elementen in het landschap te ontdekken Dan kunt u zich afvragen: is dat wat ik zie karakteristiek voor een zandgebied? Is het landschapselement typerend voor een veengebied? Of gaat het om nieuw ingebrachte elementen zoals een staatsbos, grote akkers of een ruilverkavelingsboerderij? De omvangrijke veenvergravingen, het beplanten van de zandverstuivingen, de kanalisatie van de beken en de ontginning van de heidecomplexen tot bouw- en weideland aan het begin van de 20e eeuw hebben veel veranderingen teweeggebracht. Het proces werd afgerond door de ruilverkavelingen van na de Tweede Wereldoorlog, de schaalvergroting en modernisering van de landbouw.

 

Is de navigatiebalk niet te zien?
Klik dan hier